Een nieuwsberichtje van 18 augustus jl. alweer leidt tot de rillingen over mijn rug als ik het lees…
‘Cliëntenraden moeten wettekst beïnvloeden’, luidt de titel (het gaat over de concepttekst van de Wet Medezeggenschap cliënten zorginstellingen). Een verdere greep uit het stukje: ‘Ze kunnen dan tegenwicht bieden aan de input van bijvoorbeeld werkgevers in de zorg die belang hebben om de macht van cliëntenraden af te zwakken, zodat ze minder dwars kunnen liggen.’…’instemmingsrecht in plaats van adviesrecht’. …’recht op bekostiging van scholing, facilitering en onafhankelijke ondersteuning’…’De Inspectie voor de Gezondheidszorg zal hierop toezien en handhaven waar de rechten van de cliëntenraad niet worden erkend.’
Begrijp me goed, ik ben vóór een sterke cliëntenraad. Ik mag er gelukkig in mijn werk aan bijdragen, doordat ik bijvoorbeeld momenteel een cliëntenraad begeleid van een organisatie voor maatschappelijke dienstverlening in Amsterdam. Ik wil hun graag helpen om zelf sterker te worden, zodat ze op een goede manier de dialoog met de bestuurder kunnen aangaan. Want daar ben ik voor: het voeren van een open dialoog. En dus niet sterker maken tégen de bestuurder. Want ik ben óók voor sterke bestuurders, professionals en raden van toezicht! De veronderstellingen die ten grondslag liggen aan bovenstaand berichtje haalt in feite alle basis weg voor die open dialoog.

Over welke veronderstellingen gaat het dan? (En dan trek ik het iets breder dan alleen dit bericht, maar dan denk ik ook aan allerlei andere statements die je te pas en te onpas langs hoort komen). Dat cliëntenraden lastig zijn en hun macht misbruiken. Dat ze te veel praten vanuit persoonlijke frustratie. Dat ze ‘het’ niet begrijpen. Dat bestuurders hun eigen dingen willen doordrukken en zo min mogelijk last willen hebben van inmenging (niet alleen van de cliëntenraad, maar ook van de OR of de rvt). Dat bestuurders eigenlijk niet begrijpen wat er speelt in de organisatie en bij de cliënten. Dat bestuurders er alleen maar zitten voor hun status, macht en geld. En in hun verlengde het management. Dat professionals ‘het’ trouwens allemaal wel weten. Zij kunnen alles prima zelf en hebben niemand nodig. In de laatste plaats hebben ze de raad van toezicht nodig, want die weten echt niet wat er speelt en als ze het weten dan durven ze er niets aan te doen. Die zitten er ook voor de status. Maar die professional gaat over de rug van de cliënt. De cliënt, ja die weet het beste wat nodig is. Je vraagt je af waar de cliënt die organisatie eigenlijk voor nodig heeft. We schaffen de organisaties af!
Klinkt dit wat ridicuul? Cynisch? Zeker. Maar zo wordt er echt gedacht en gesproken. Ik val echt over de wijze waarop er tegenstellingen worden gecreëerd tussen het een en het ander. Tussen het ‘oude’ en het ‘nieuwe’ denken. Tussen de systeemwereld en de leefwereld (lees Pauline Meurs in Lucide herfst 2016!). Tussen bestuurder en cliëntenraad en ga zo maar door. Die schijntegenstellingen creëren namelijk ook een gevoel van onveiligheid, want het gaat over uitsluiting. Want als je het één ophemelt (bijvoorbeeld de professional als het gaat over het succes van Buurtzorg) zet je het ander weg. De veronderstellingen en beelden komen zeker niet uit de lucht vallen en ik pleit dan ook voor een kritische discussie, maar dan wel aan alle kanten. En als het over rechten van de cliëntenraad gaat (enquêterecht, recht op budget voor deskundigheidsbevordering), dan hebben we het ook over plichten. Gelijkwaardig op alle niveaus. Het helpt dan ontzettend als we de tegenstellingen achterwege laten, maar ons richten op wat we allemaal willen, een positieve en open dialoog. Hoe kunnen we elkaar helpen in plaats van in hoekjes duwen/temperen/minder machtig maken?
In ieder geval niet door in de kramp te schieten van meer wetgeving en regulering! En dat gebeurt toch, terwijl we aan de andere kant zo hard horen roepen om alles wat regelgeving is af te schaffen (weg met governancecodes, verantwoordingsdocumenten en evaluatiecircussen). En daar hebben we dan weer de volgende, niet helpende, tegenstelling. Net als het ophemelen van nieuwe organisatiemodellen (plaatjes vullen geen gaatjes). Het helpt om anders te denken: waarom kwamen we ertoe om het zo te organiseren? Wat was het goede ervan en wat willen we dan niet meer? Kim Putters stelde laatst in een artikel in de Gelderlander (10 september) dat zijn cri de coeur is om het belang van geschiedenisles en maatschappijleer echt voor het voetlicht te krijgen. Laat de jonge generatie zich bewust worden waarvoor gestreden is en waarom we dat belangrijk vonden. Kijk naar de verworvenheden. Dat was ook uit mijn hart gegrepen. Eer dat verleden, zonder erin te blijven hangen en neem het goede mee. Om vervolgens ook te leren van nieuwe, succesvolle ervaringen.

blog-hedwig-image-2Is het creëren van tegenstellingen niet dé manier om weg te blijven van het echte gesprek? Is het te ingewikkeld, dat saaie, niet aantrekkelijke, complexe, grijze midden, wat niet verkoopt? Ik zou er graag aan bijdragen om het plezier in het zoeken naar dat midden terug te vinden met zoveel mogelijk deelnemers! Hoe spannend kan die zoektocht zijn. De waarheid ligt toch ergens in dat ….(hoewel we die hopelijk niet denken te vinden, want dan is de lol eraf). Wat mij betreft de manier om echt te komen tot die participatiesamenleving, waarin iedereen meedoet.

Hedwig Kauffman
27 september 2016

Getagd op:            

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *