Omkijken naar elkaar antwoord op verschraling zorg

INTRO: Ik kreeg 800 woorden van de redactie van het Reformatorisch Dagblad om te reageren op een column waarin, volledig in lijn met de heersende man-in-de-straat overtuiging werd gesteld dat het vastlopen van de ouderenzorg veroorzaakt is door uitdunning van voorzieningen of de bewuste afbraak ervan. Ik deel graag mijn artikel ook met de lezers van onze nieuwsbrief. En op 16 november a.s. zou ik dit thema graag de lezers uitdiepen. Welkom!

De zogenoemde verzorgingshuizen waarnaar zo intens wordt terugverlangd en die model staan voor die afbraak waren namelijk helemaal niet bedoeld voor de zorg aan ouderen met een zorgvraag. Zij zijn in de jaren 60 en 70 gebouwd om mensen vanaf de AOW-leeftijd hun laatste jaren te laten wonen waardoor er, in de woningnood van toen, ruimte in de wijken en straten zou ontstaan voor jonge gezinnen waarin de huidige babyboomers opgroeiden tot volwassenen.

Die verzorgingshuizen heetten aanvankelijk ”oude-van-dagen-tehuizen”, wettelijk zelfs tot 1968 ”Bejaardenoorden”. Bedoeld voor de AOW-ers, die destijds na hun 65e immers niet ál te lang meer te leven hadden. Een klein kamertje met een stoel (een zurg), een bed, een eettafeltje met twee stoelen, een keukentje waarin je je precies kon omdraaien, maar niet kon koken of iets klaarmaken.
In die tehuizen werden mensen met het ouder worden vaak en steeds vaker behoeftig en ontstond een vraag naar zorg. Dat ouder worden werd mede bevorderd door de steeds betere gezondheidszorg. In de jaren 70 zien we dan ook de zogenoemde verpleeghuizen ontstaan. Tehuizen van verlies aan privacy, waardigheid en leven. Vier tot zes mensen in een zaal met niets dan een bed en een stoel. Ik ben er ruim 10 jaar medeverantwoordelijk voor geweest.

Maar gelúkkig ben ik ook medeverantwoordelijk geweest voor de omslag. De oude(rwetse) verzorgingshuizen werden verbouwd of gesloopt en vervangen door nieuwe. Maar ja, nieuwer moest ruimer en er was niet echt meer ruimte. Én, desgevraagd in het kader van capaciteitsplanning, wilde (en wil) iedereen zo lang mogelijk thuis blijven wonen. Dus nam het aantal beschikbare kamers af en om dat op te vangen werden er toelatingscriteria ingesteld. Niet meer ”vanaf 65 verwachten wij u”, maar ”er moet wel reden zijn waarom u bij ons komt wonen”. Zorgorganisaties zagen dat ook en deden hun best om andere vormen van huisvesting voor ouderen te realiseren. Aanleunwoningen, inleunwoningen, woongebouwen met minimale voorzieningen, maar wel genoeg voor díe levensfase. Totdat…

Realisme

Dit gebeurde allemaal tegen de achtergrond van een samenleving waarin babyboomers hun kindertal beperkten. Waarin de medische ontwikkelingen zo snel gingen dat de dood een ethische vraag werd: wanneer en waaraan mag iemand overlijden? Als er nog wat te behandelen valt, moeten we dat vooral doen. Onze gezindte speelde daarin een twijfelachtige rol: enerzijds werd gezegd dat ”wij niet op de stoel van God moeten willen zitten”, maar anderzijds zaten we steeds steviger in die stoel, want sterven moet vooral zo lang mogelijk worden uitgesteld. Nee, ik ben niet van de euthanasie, maar wel van het realisme. Een ernstig herseninfarct bij een negentigplusser is een doodsoorzaak; nóg weer een experimentele behandeling tegen kanker is een motie van wantrouwen aan God; een veel te vroeg geboren kindje is misschien wel niet bedoeld om te leven (ik weet privé waar ik het over heb), zéker niet met alle handicaps die veelal het gevolg zijn van ”in leven houden”.

Een beperking van het kindertal, samen met een grote toename van het aantal steeds oudere mensen leidde tot de situatie die nu is ontstaan. Niet de afbraak van oude verzorgingshuizen, want die waren niet geschikt voor zorgverlening, niet de commercie, want die maakt soms juist dingen mogelijk, niet het ontslag van de zorgwerkers, want dat waren incidenten.

Nadenken

Er zijn wel lichtpunten. De helderheid van demissionair minister Helder is er één. Denk na over je oude dag, denk na over de vraag of er iemand is die naar je om wil kijken als je zelf straks meer en meer klem loopt. Wees dus vriendelijk en open naar je omgeving. Neem deel, zodat mensen je missen als je niet meer meedoet. Dat geldt evengoed voor organisaties. Kerken: laat u zien in de samenleving. NPV: neem lokale initiatieven zoals vroeger de lokale thuishulp en/of bouw dat uit tot buurtinitiatieven. De overheid gaat het niet redden!
Maar laten we als gezindte ook niet bang zijn om het ethische vraagstuk over leven en sterven opnieuw aan de orde te stellen. Moet alles wat kan? Mág alles wat kan?

Ik realiseer me dat de jongeren niet voor de ouderen zullen kunnen zorgen, zij moeten inkomen verwerven, zij moeten de economie en hun gezinnen draaiend houden. Maar gelukkig zijn er de senioren, een hele grote groep fitte gepensioneerde babyboomers, die naar de stokoude generatie van hun ouders kunnen omkijken. De meesten van die echt oude mensen hoeven niet verpleegd en verzorgd te worden. Er moet naar hen omgekeken worden! En als we dat nou gezamenlijk oppakken dan kunnen de wijkverpleegkundige en het verpleeghuis zich bekommeren om de échte zorgbehoevende mensen. Dáár gaat het mij om. Zorgen is onderdeel van ieders dagelijks leven, ontvangend of gevend, van het begin tot het einde. Maar heel veel zorg is eigenlijk omzien. Dat kunnen we toch wel voor elkaar opbrengen?

De auteur is een groot deel van zijn werkzame leven beleidsmatig en bestuurlijk verantwoordelijk geweest in de zorgsector.

 

Vorige
Vorige

De Interventure benadering

Volgende
Volgende

1+1+ = 3